Het mestbeleid moet helemaal op de schop

Injecteren doet meer kwaad dan goed

In het melkveebedrijf is vanaf de jaren negentig een volstrekt verkeerde praktijk rond mest ontstaan. Het laten rotten in opslagkelders is al fout. Deze ongezonde troep ook nog injecteren in de bodem maakt het nog erger. Zegt biologisch melkveehouder Erik Valk, voorzitter van een vereniging die een compleet andere aanpak voorstaat.

Tekst: Kees Hagendijk | Gepubliceerd in Ekoland nr. 6/2017

De Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM) wist drie jaar geleden bij toenmalig staatssecretaris Sharon Dijksma een tijdelijke vrijstellingsregeling voor het injecteren van mest los te praten. Tegen de zin van haar ambtenaren in. Die de ontheffing het liefst weer de nek omdraaien, vertelt voorzitter Erik Valk. Want het riekt naar revolte tegen de eenduidige rekenmodellen, tegen langjarig beleid.

De positieve doelstelling van de VBBM is het beoefenen van kringlooplandbouw. En binnen de principes daarvan is geen plaats voor het ondergronds inwerken van mest. Mest moet onder invloed van lucht en licht kunnen fermenteren en zich daarmee weer tot natuurlijk plantenvoedsel omvormen.

Naast een volledig andere benadering van mest binnen het kringloopdenken, wordt door de VBBM ook de effectiviteit van het sinds 1993 gevoerde ammoniakbeleid betwist. Betwijfeld wordt dat de ammoniakuitstoot door de landbouw zo groot als in de modellen die de overheid hanteert wordt aangenomen. Daarnaast wordt gewezen op de schadelijke effecten van het injecteren van mest, namelijk de aantasting van het bodemleven en het vrijkomen van nitraat en lachgas. “Metingen wijzen op een verdubbeling van de uitstoot van lachgas”, stelt Valk. “En het broeikaseffect van lachgas is 328 keer dat van CO2.”

Onder de naam NH3 Coalitie roepen de VBBM en andere agrarische belangenbehartigers de overheid op tot betere meetmethoden en berekeningen, en op basis daarvan tot herziening van het ammoniakbeleid, dat als belangrijkste instrumenten het luchtdicht opslaan en het ondergronds inwerken van mest heeft. Hierbij wijst Coalitie NH3 op het rapport ‘Ammoniak in Nederland, enkele kritische wetenschappelijke kanttekeningen’ van Jaap Hanekamp, Marcel Crok en William M. Briggs (2017). Belangrijkste conclusie in het rapport is dat de overheid ten onrechte uitgaat van een grote afname van de ammoniakuitstoot als gevolg van het ondergronds aanwenden van mest. Dit zou ook verklaren waarom de daling van de ammoniakconcentratie de afgelopen tien jaar is gestagneerd. Staatssecretaris Van Dam heeft het rapport in eerste instantie van tafel geschoven, maar het is wel gepubliceerd in het internationale wetenschappelijke tijdschrift Soil Use and Management (SUM). Coalitie NH3 vraagt de overheid dan ook de wetenschappelijke bewijzen niet langer te negeren. Overigens hebben WUR en RIVM, als wetenschappelijke ondersteuners van het gevoerde mestbeleid, afwijzend op het rapport gereageerd.1

Het probleem met mest ligt voor de VBBM heel fundamenteel, legt Valk uit. Binnen de kringlooplandbouw gaat het erom alle energie in de kringloop optimaal te benutten. Dat wil zeggen: zo min mogelijk van buitenaf toe te voegen en, omgekeerd, weg te laten lopen. “De bodem is voor deze cyclus het allerbelangrijkste. De bodem is het verteringsorgaan dat planten van voedsel voorziet.” Binnen deze metafoor is de bovenlaag de mond: hier begint de voorvertering van opgebrachte mest met behulp van zuurstof en licht. De diepere lagen zijn als de maag en de darmen, waar wormen, bacteriën en protozoa zorgen voor de verdere vertering. Het ondergronds inwerken van mest slaat dus een belangrijke schakel in het verteringsproces over.

Wat het erger maakt, is dat van mest een rottende substantie wordt gemaakt door de opslag in luchtdichte silo’s. Mede debet daaraan zijn de stallen met roostervloeren, waardoor urine en mest bij elkaar komen. Als gevolg van de anaerobe (zuurstofarme) omstandigheden van opslag ontstaat een rottingsproces waarbij kwalijke gassen als blauwzuurgas, zwavelgas, lachgas en ammoniak vrijkomen. “De rottende mest wordt vervolgens in de bodem gebracht. Je kunt het vergelijken met mensen die bedorven voedsel te eten krijgen.” In de bodem zelf leidt het rottingsproces tot onttrekking van zuurstof en afbraak van het bodemleven.

Mest moet fermenteren, niet rotten, zou de kernboodschap van de VBBM kunnen luiden. Mest die rot leidt tot meer kwalijke gassen en tot verslechtering van de bodem. Mest die fermenteert is waardevol voedsel voor het bodemleven waardoor mineralen in de bodem ‘vastgehouden’ kunnen worden. Hierdoor is er altijd voldoende voedsel aanwezig op de momenten dat gewassen die nodig hebben. Uiteindelijk geeft dit gewassen die beter in balans en daardoor gezonder zijn.

Fermenteren vereist echter zuurstof. Daarom moet mest bovengronds worden aangewend en niet in zuurstofarme omstandigheden worden opgeslagen. Voor boeren die volgens dit uitgangspunt te werk willen gaan, zijn er praktische hobbels te nemen. Het vergt een forse investering om een stal met roostervloer te vervangen of te verbouwen tot een stal met een geperforeerde vloer, waardoor urine en vaste mest gescheiden kunnen worden. Een suboptimale oplossing hiervoor is het toevoegen van positieve bacteriën aan de ongescheiden, vloeibare mest. Valk gebruikt deze methode zelf. Een alternatief is het direct inbrengen van zuurstof via een slangensysteem. Als sluitstuk moet ontheffing voor het bovengronds aanwenden worden aangevraagd, en verkregen. Hiervoor is een aantal stringente criteria van kracht (te vinden op de website www.devbbm.nl).

De vraag is of de ontheffingsregeling wanneer deze over twee jaar afloopt, wordt verlengd. Maar duidelijk is dat de echte oplossing voor de VBBM ligt in de volledige herziening van het mestbeleid: scheiden van urine en mest, opslagomstandigheden die rotting voorkomen, bovengronds opbrengen. De inzet is om het wetenschappelijke argumenten van Hanekamp et al op het ministerie van Economische Zaken te laten inwerken. Valk:“Als wij ambtenaren op onze bedrijven rondleiden, zijn ze vaak onder de indruk van onze argumenten. Maar in de auto op weg naar Den Haag raken ze weer in het gareel van het beleid en het rekenmodel. Waar we wel meer ingang vinden is bij waterschappen en waterwinbedrijven. Het belang van een gezond bodemleven in relatie tot goede waterkwaliteit en de noodzaak daartoe van een andere omgang met mest, spreekt aan.”

Staand beleid is hardnekkig, maar de praktijk leert ook dat het soms opeens omvalt. Misschien gaat het ook zo met het ammoniakbeleid, dat duidelijk scheuren vertoont.

1 Zie www.wur.nl/nl/Dossiers/dossier/Ammoniak.htm en www.rivm.nl/Onderwerpen/A/Ammoniak/Direct_naar/Reactie_RIVM_op_rapport_Ammoniak_in_Nederland_Enkele_kritische_wetenschappelijke_kanttekeningen_van_Hanekamp_Crok_en_Briggs


Vaste organische stof

Een ander nadeel van de huidige mestpraktijk is dat stro (via de traditionele droge mest) uit de kringloop verdwenen is, waardoor de koolstof-stikstofverhouding in de bodem uit balans is geraakt. In plaats van de natuurlijke verhouding van 20 eenheden koolstof op 1 eenheid stikstof, wordt met behulp van kunstmest een verhouding van 5 à 6 op 1 gecreëerd. Dit vertaalt zich in zeer eiwitrijk gras, wat via de koe in zeer eiwitrijke mest resulteert, wat weer leidt tot vorming van meer stikstof en andere schadelijke gassen en tot achteruitgang van de bodemkwaliteit. Een negatieve spiraal.


Kringlooplandbouw niet per se biologisch

De Vereniging voor Behoud van Boer en Milieu bestaat al 27 jaar en werd opgericht vanuit de zorg over de achteruitgang van de natuurlijke bodemgesteldheid. Kerndoel nu is kringlooplandbouw. Dit gaat uitstekend samen met biologische landbouw en veel inzichten en praktijken overlappen, maar de Skal-criteria zijn geen vereiste. Lang niet alle leden hebben een biologisch bedrijf. Erik Valk – zes jaar lid en sinds twee jaar voorzitter – is met zijn melkveebedrijf in 2015 overgeschakeld. Een nadeel voor hem is dat hij aan de norm van 170 kg stikstof/ha gebonden is. “Terwijl de hoge zandgrond bij ons veel meer stikstof zou kunnen gebruiken. Ik zeg vaak dat voedselproductie de oudste vorm van cultuur is. Je zou die niet in rekenmodellen moeten gieten. Zoals een muziekstuk steeds verschillend wordt uitgevoerd, zo zou er ook in de landbouw variatie mogelijk moeten zijn. Helaas is daar vaak te weinig ruimte voor.”

Afdrukken E-mail

We use cookies

Wij gebruiken cookies op onze web site. Sommigen zijn essentieel voor het correct functioneren van de site, terwijl anderen ons helpen om de site en gebruikerservaring te verbeteren (tracking cookies). U kan zelf kiezen of u deze cookies wil toestaan of niet. Let op dat als u onze cookies weigert mogelijk niet alle functies van de site beschikbaar zijn.